Vijver, sloot en plas

Recensie Vijver sloot en plas door Harry Holsteijn.
Auteurs: Marten Scheffer & Jan Cuppen

“Vijver, sloot en plas” (240 bladzijden) is dč nieuwe populaire natuurgids voor wie graag met een schepnetje langs de waterkant loopt, schrijft Jan Wolkers op het achterkaft. Het boek is begin dit jaar uitgebracht en lijkt door de vormgeving en grotendeels hergebruikte afbeeldingen zo sterk op het oudere “Venen, plassen en poelen” (270 bladzijden door Wolfgang Engelhardt, Thieme 1989), dat het als een opvolger daarvan op te vatten is. In deze recensie ligt het dan ook voor de hand “Vijver, sloot en plas” zowel enigszins in vergelijking met zijn voorganger als onafhankelijk te beschouwen.

In eerste aanblik is Vijver, sloot en plas een kloek en solide boek met glanzend papier, hard kaft en een stevige (lijm)binding. Toch is de vraag of deze binding de ideale is. Zonder hardhandig terugvouwen valt het de ‘veldbioloog’, die een slakje meebracht uit zijn netje amper mee het boek open neer te leggen en door te bladeren. Aan de waterkant met natte vingers zal dit des te meer gelden, reden waarom een iets minder strakke binding toch te overwegen is, want het boek heeft toch een functie die vraagt om gemakkelijk bladeren en vergelijken.

Inleiding Het boek begint met inleidende hoofdstukken van Marten Scheffer die een algemeen verhaal vertellen van het water als milieu, haar kenmerken (relatie met het landschap, helderheid, kleur en watertemperatuur) het leven in het water (plant en dier) en de samenhang tussen al deze factoren (ecologie). Dat is op een verdienstelijke wijze geschreven, gemakkelijk lezend, en voor iedereen te begrijpen, compleet met educatieve tips. Helaas wordt hier afbreuk aan gedaan door foto’s, die op zich wel illustratief zijn en goed bij de tekst passen maar, die afgedrukt zijn op een wijze die publiek en foto(graaf) onwaardig te noemen is: tč klein en in zulke fletse kleuren dat je doen vermoeden dat sommige van de jaren twintig zijn en inmiddels sepia-bruin verkleurden (bladzijden 33, 43 en 44). De tekstregels die spreken van “gifgroene blauwalgen”, terwijl ze verwijzen naar een grauw grijsbruin fotootje (bladzijde 19), laten wat dat betreft weinig aan duidelijkheid te wensen over! Van een aantal foto’s, die ik persoonlijk ken, weet ik dat het daar niet aan kan liggen. Dat moet veel beter kunnen en pleit voor pagina grote of waar nodig vernieuwde foto’s. Misschien moet het boek er maar een aantal bladzijden (of zelfs een katern) dikker op worden. Waarom niet? Ook iets verderop, waar de inleidende hoofdstukken automatisch over gaan in de tekst van de Veldgids, heeft het boek die extra ruimte hard nodig.

Veldgids In de veldgids worden de soorten nader beschreven door Jan Cuppen, die er een schat aan informatie aan toevoegt. Maar de tekst ziet er zň grijs, onopgemaakt en ronduit onaantrekkelijk uit, dat ik er slechts steekproefsgewijs stukjes uit gelezen heb. Alleen aliniering met her en der een witregel, misschien een tussenkop van de afgebeelde soort of een onderstreping onder diens naam, zou het al een stuk verbeteren. Het zou de lezer uitnodigen kennis te nemen van de verhalen achter de afgebeelde čn de niet afgebeelde soorten, de vele genoemde plant- en dier-relaties, de informatie over voorkomen en verspreiding, en meer. Nu niet alles gelezen hebbende wil ik hiervan slechts twee zaken kwijt die me opvielen. - Allereerst is dat dat een dagje Noordzeestrand nooit verpest kan worden door stekende oorkwallen (bladzijde 80), omdat hun netelcellen eenvoudig niet door onze huid heen komen. Nog los van dat dit zout water kwallen zijn die eigenlijk niet in een boek over zoet water horen te figureren. - Bovendien zag ik dat bij de waterjuffers en libellen gesproken wordt van larven, hoewel een beter gebruik is hier is te spreken van nimfen. Immers, het zijn nimfen omdat ze fundamenteel afwijken van larven doordat ze geen volledige gedaanteverwisseling kennen.

Soortkeuze in de veldgids Wie van “Vijver, sloot en plas” verwacht dat het een gids is die alle in Nederlands zoet water voorkomende soorten helpt determineren, zal snel teleurgesteld raken: hij vergist zich ňfwel in de rijkdom van het leven ňfwel in de populaire aard van het boek. Daarover zijn de auteurs duidelijk: het boek helpt slechts determineren van een beperkt aantal soorten, tot op geslachts, familie of orde-niveau. Wat “Vijver, sloot en plas” daarmee biedt is een doorsnee aan groepen organismen met van elk een (meer of minder compleet) aantal vertegenwoordigers. Die vertegenwoordigers zijn deels dezelfde die al in “Venen, plassen en poelen” stonden. Maar de auteurs hebben ook nieuwe keuzes gemaakt, zie ik.

Absoluut verbeterd ten opzichte van voorganger “Venen, plassen en poelen” is dat het boek zich nu niet meer beperkt tot enkel planten en ongewervelde dieren, maar daarnaast ook aandacht schenkt aan de gewervelde waterbewoners. Misschien is daarom, om het boek hierdoor toch niet al te dik te laten worden, veel geschrapt in de afbeeldingen onder de planten en sommige groepen ongewervelde dieren, zoals ze ooit in voorganger “Venen, plassen en poelen” stonden. Dat is begrijpelijk waar het gaat om niet in ons land voorkomende, kleine, verscholen levende, en of zeldzame en zeer milieu-specifieke soorten die wij amper kennen. Maar voor een deel ging het toch ook om het schrappen van soorten die algemeen zijn en die iedereen die goed kijkt toch zal missen. En dat is jammer. Er is voor gekozen alle niet sterk gespecialiseerde waterplanten te verwijderen. Daarmee zijn ook soorten verdwenen die toch vaak rondom in het water zien staan en die zelfs afwijkende, gespecialiseerde onderwaterbladeren hebben, zoals duikers waarnemen. Ik vind dit een jammerlijk scherpe selectie. Zo bleek me uit een vlotte vergelijking dat in “Venen, plassen en poelen” nog 74 planten (op 8 platen in kleuren) zijn afgebeeld, tegen 37 (op nog ‘slechts’ 4 platen) in Vijver, sloot en plas. Zondermeer wel positief is dat een recent algemeen geworden soort als groot kroosvaren (Azolla filuculoides) toegevoegd is. Onder de verschillende diergroepen is een aantal soortkeuzes gelijk gebleven (o.a. bij de muggen, vliegen, wormen, bloedzuigers, platwormen, wantsen) maar zijn er ook die soms fors uitgedund zijn. Toegevoegd zijn hier o.m. zoetwatergarnaal, visluis en reuzenschelpkreeft. Maar naar het bekende éénoogkreeftje (Cyclops), de Vijver,mossel, oorvormige poelslak en nog meer zul je in “Vijver, sloot en plas” tevergeefs zoeken.

Hoe erg het ontbreken van bepaalde soorten is hangt vooral af van de gebruiker: wie het boek enkel wil gebruiken om zoveel mogelijk soorten te herkennen en wie al veel voorkennis heeft en hoge eisen stelt, gaat een gemis al gauw als tekortkoming beleven. Dan is alleen dit boek al snel niet genoeg. Ook wie regelmatig in ons zoete water duikt zal vlot zien dat het boek niet compleet is: duikers zal o.m opvallen dat zelfs algemene kokerjuffers als Anabolia, Molanna en Limnephilus, waar zij zo vaak de kunstige larvenhuisjes van zien, niet afgebeeld of aanwezig zijn. Evemin als de scholenvormende rode Kaspische aasgarnaaltjes, met hun rood weerschijnende oogjes, waar ze zich soms bijna door heen moeten slaan. Maar voor wie een vijver bij huis heeft, zich voor het eerst in de waternatuur verdiept blijft “Vijver, sloot en plas” toch een mooi boek, waar ook enigszins mee gedetermineerd kan worden.

Determineren Om het determineren te vergemakkelijken zijn voor de gebruiker met weinig voorkennis groepensleutels aangebracht op beide binnenkaften (voor- en achterzijde). Die kunnen snel verwijzen naar de betreffende platen. Ten opzichte van “Venen, plassen en poelen” is dat een nieuw en handig hulpmiddel. Maar het ontgaat mij waarom bepaalde insectenlarven zowel voor als achterin verwerkt zijn (om het blad vol te maken?). Al kunnen de kleuren beter, de kwaliteit van de afbeeldingen is doorgaans voldoende om tot behoorlijke determinaties te komen. Jammer is wel dat bij de platen van de verschillende soorten directe verwijzingen (bladzijdenummers) ontbreken naar de bij die soorten behorende beschrijvingen en of nadere info in de tekst. Andersom, maar daarom niet minder inconsequent, is wel heel goed dat er in de leesteksten wel verwijzingen naar de platen staan. Dit is des te meer wenselijk omdat de teksten niet altijd onmiddellijk bij de platen staan, en omdat ze soms links, soms rechts in het boek staan, wat het overzicht en handig werken (bladeren) niet ten goede komt. Het doet allemaal niets af aan het feit dat er, zeker voor mensen met weinig kennis, nog steeds ook heel veel wčl in het boek staat.

Toch hierbij nog twee kritische aantekeningen. - Ten eerste, dat de afgebeelde pos (bladzijde 202) in feite een exemplaar is van de gestreepte of Donaupos (Gymnocephalus schraetser), něet de inheemse en beoogde Gymnocephalus cernuus. - En, ten tweede, dat de afbeelding van de “Amerikaanse rivierkreeft” (bladzijde 99) amper respresentatief is, zň bleek is dit exemplaar. Alsmede dat deze soort, in verband met het bestaan van zoveel meer Amerikaanse soorten, ook beter aangeduid kan worden als gevlekte Amerikaanse rivierkreeft - wat, tenminste in duikerskringen, ook al algemeen gebruik is.

Als laatste Tenslotte zou ik de auteurs nog een suggestie mee willen geven. Noem het een overweging of misschien zelfs een tip. Op verschillende bladzijden besteed “Vijver, sloot en plas” aandacht aan exoten in ons zoete water. Dat is ook niet te vermijden, zoveel zijn er inmiddels! Maar die aandacht is fragmentarisch en mist door zijn verspreiding ook samenhang. Ik denk dat het boek enorm aan educatieve waarde zou winnen wanneer aan de thematiek van de exoten, of misschien moeten we zelfs spreken van problematiek, een apart hoofdstuk zou worden gewijd. Daarin kan iets van de historie, oorsprong en impact worden beschreven en kan ook een aantal van de betrokken soorten nader afgebeeld en belicht worden (Kaspische aasgarnaal, grote waternavel, enzovoort). Het zou de actualiteitswaarde van het boek doen toenemen, het aantal beschreven soorten met deze specifieke categorie kunnen uitbreiden, en bovendien recht doen aan de enorme, zowel ecologische als economische, impact hiervan. Ook zou het boek zich hiermee van vrijwel (of letterlijk) alle concurrenten kunnen onderscheiden, omdat (helaas) bijna geen enkele auteur van de populaire natuurboeken werkt aan het publieke bewustzijn van deze kwestie. Ondanks dat de rechtvaardiging daarvan automatisch voortvloeit uit voornoemde impact, educatieve waarde, de expliciete rol van de mens, en ook die van de actuele klimaatverandering. Een terrein waar de beide sponsoren van deze uitgave, de Wageningen Universiteit en de Stowa al erg in betrokken zijn. Eigenlijk een open deur dus?

Conclusie Al met is “Vijver, sloot en plas” beslist een mooi boek, vooral voor de niet al te verwende water natuurliefhebber. Maar het is toch wel teleurstellend te zien hoezeer het boek in zijn huidige opmaak lijkt op een vrijdagmiddag klus. Nu al vraagt dat om een herziene tweede druk die het boek enorm ten goede kan komen. Recensie Harry Holsteijn

Vijver, sloot en plas
Auteurs: Marten Scheffer & Jan Cuppen
Jaar: 2005: Tirion Uitgevers B.V. Baarn
240 bladzijden
Prijs: € 24.95
ISBN: 90 5210 543 x